|
Teelthandleiding maïs 1 Inleiding Na gras is snijmaïs het belangrijkste gewas voor de melkveehouderij. Een optimale teelt en benutting van dit gewas zijn daarmee van belang voor het rendement van de sector. Een actueel en compleet overzicht van de nieuwste informatie kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren. De meest recente versie van de teelthandleiding “teelt van maïs” is uitgegeven in 1993. Sindsdien zijn er op het gebied van teelt en gebruik van maïs diverse nieuwe ontwikkelingen en onderzoeksresultaten. De bestaande teelthandleiding is daardoor op diverse onderdelen erg gedateerd. De nieuwe informatie over teelt en gebruik van maïs kwam tot nu toe nogal versnipperd en soms beperkt bij de melkveehouders. Dit had tot gevolg dat het lastig was voor de gebruiker om de juiste informatie te vinden. Dit handboek beschrijft de actuele stand van zaken over teelt, oogst, voeding en economie van snijmaïs. Wanneer we beschikken over nieuwe informatie verwerken we dat op korte termijn in deze uitgave. |
|
2 Bodem, water en bouwplan
De bodem vormt de basis voor een goede nutriënten- en vochtvoorziening. In dit hoofdstuk worden een aantal onderdelen behandeld die te maken hebben met de grond en het grondgebruik. Eerst gaan we in op een aantal aspecten die een rol spelen bij de geschiktheid van de grond voor de teelt van maïs. Daarna wordt ingegaan op de extreme situaties droogte, erosie en slemp. Als laatste kijken we naar inpasbaarheid van maïsteelt op een bedrijf en op de effecten van continuteelt en wisselbouw.
Geschiktheid grond In principe kan men maïs op de meeste grondsoorten in Nederland telen. Van belang zijn een goede en tijdige berijdbaarheid en bewerkbaarheid. Bij de beoordeling van de geschiktheid van de grond spelen een aantal aspecten een rol: - Ontwatering en vochtvoorziening - Structuur - Temperatuur - Bodemkwaliteit en organische stof - Zuurgraad
2.1 Ontwatering en vochtvoorziening Voor een goede opbrengst is een goede ontwatering van belang. In het voorjaar is een goede ontwatering belangrijk om de grond tijdig te kunnen bewerken en voor een voldoende snelle opwarming van de bodem. Natte gronden warmen in het voorjaar veel trager op dan droge gronden. Daarnaast dient er voldoende lucht in het profiel aanwezig te zijn voor de wortelgroei. In het najaar is een goede ontwatering belangrijk om de maïs te kunnen oogsten zonder structuurschade te veroorzaken aan de bodem. Een grond is goed ontwaterd wanneer de grondwaterstand gemiddeld nooit hoger komt dan 40 cm beneden maaiveld (winterstand). Naast een goede ontwatering is voldoende vochtvoorziening in het groeiseizoen belangrijk voor goede maïsopbrengsten. Ook hier speelt het niveau van het grondwater een belangrijke rol. Als de bewortelde laag in contact staat met het grondwater vindt er door capillaire werking opwaarts transport plaats van vocht. Als de grondwaterstand fluctueert tussen 40 en 150 cm beneden het maaiveld in combinatie met een klei- of leemhoudende ondergrond wordt door capillaire nalevering vanuit het grondwater de vochtvoorziening het gehele of een deel van het groeiseizoen gewaarborgd. De hoeveelheid beschikbaar vocht voor het gewas wordt naast de vochtlevering vanuit het grondwater (capillaire opstijging) ook bepaald door de neerslaghoeveelheid en opslagcapaciteit van de bodem. De hoeveelheid bodemvocht die gemakkelijk beschikbaar is voor het gewas varieert per grondsoort. In humusarm grof zand is circa 8 mm per bodemlaag van 10 cm beschikbaar. In humeus, matig leemhoudend fijn zand is dit circa 18 mm. Op zavel en lichte kleigronden is er ongeveer 20 tot 25 mm per 10 cm beschikbaar. Hoe dieper het gewas kan wortelen, hoe meer het gewas kan profiteren van het in de bodem beschikbare vocht. Op humeuze zandgronden met een diep profiel is er ongeveer 150 mm vocht voor het gewas beschikbaar, op ondiepe humusarme zandgronden slechts 50 mm en soms zelfs minder. Deze verschillen kunnen aanzienlijke opbrengstverschillen tot gevolg hebben.
2.2 Structuur Structuur heeft te maken met de ruimtelijke ordening van de bodemdeeltjes. Deze ruimtelijke ordening is van groot belang voor het transport van water en lucht, de beworteling en de stabiliteit en stevigheid van de grond. Een goede structuur wordt over het algemeen gekenmerkt door een kruimelstructuur. De bewortelingsdiepte van maïs bedraagt in profielen zonder belemmeringen circa 120 cm. Op de meeste gronden is de bewortelingsdiepte echter aanzienlijk geringer door de aanwezigheid van storende lagen. Storende lagen voor de beworteling kunnen een gevolg zijn van plotselinge overgangen in grofheid van de gronddeeltjes of humusgehalte en van een dichte pakking van de grond. In sommige gronden met een storende laag of afwijkende ondergrond blijft de bewortelingsdiepte beperkt tot de bovenste laag, die vaak niet dikker is dan 25 cm. Ook op gronden die van nature diep doorwortelbaar zijn kunnen door zware mechanisatie bij het uitbrengen van dierlijke mest en bij de oogst verdichtingen ontstaan. Op gronden met een laag humusgehalte kan de laag onder de bouwvoor tussen 30 en 70 cm diepte zodanig verdicht worden dat maïswortels er niet meer in kunnen doordringen. Het bodemvocht dat zich in de verdichte laag en daaronder bevindt is dan niet meer beschikbaar voor het gewas waardoor de kans op vochttekorten toeneemt. Kies daarom voor een lage bandenspanning en voorkom dat er onder natte omstandigheden op het land wordt gereden (zie ook hoofdstuk 4).
2.3 Temperatuur Tot aan het 4-5 bladstadium bepaalt de temperatuur van het zaaibed de ontwikkelingssnelheid van de plant doordat de groeipunt van de plant zich tot dat moment onder de grond bevindt. Naast straling en luchttemperatuur bepalen kleur, humusgehalte, poriënfractie en vochtgehalte van de grond in belangrijke mate de snelheid waarmee grond in het voorjaar opwarmt. Natte gronden met een vaste structuur warmen in het voorjaar veel trager op dan droge gronden met een losse structuur. Door een laag poriënvolume en een hoog vochtgehalte is er meer energie nodig voor opwarming en gaat er bovendien meer warmte verloren door warmtetransport naar de ondergrond en verdamping van water. Doordat zandgronden gemiddeld sneller opwarmen dan klei- en veengronden zijn deze over algemeen meer geschikt voor de teelt van maïs.
2.4 Bodemkwaliteit en organische stof Bodemkwaliteit kunnen we op diverse manieren definiëren. Een landbouwkundige definitie is: “Het vermogen van de bodem om gewassen op langere termijn van voldoende water en nutriënten te voorzien zodat de gewassen tot een hoge productie per eenheid productiefactor komen met een lage belasting voor de omgeving”. Organische stof speelt een centrale rol bij bodemkwaliteit omdat dit een functie heeft bij verschillende processen in de bodem: - Levering van nutriënten. Bij de afbraak van organisch materiaal komen nutriënten (met name N, P en S) vrij. In de literatuur wordt een kritisch gehalte van 1,7% genoemd. Beneden dit gehalte lijken gewassen op uiteenlopende grondsoorten bij een gematigde stikstof bemesting de potentiële opbrengst niet te kunnen halen. Als indicatie wordt ook wel genoemd dat de extra stikstoflevering op deze zandgronden als gevolg van een hoger organisch stofgehalte wordt geschat op 25 kg per hectare per procent organische stof. - Vochthoudend vermogen. Het effect van organische stof op de hoeveelheid beschikbaar vocht is afhankelijk van de grondsoort. Vooral op zandgronden neemt de hoeveelheid beschikbaar vocht toe bij een hoger organisch stofgehalte. Voor bodems met een fijne textuur (zoals klei) is het effect veel kleiner. Uit berekeningen blijkt dat in een bouwvoor (25 cm) van gronden met een laag lutumgehalte (3%) minimaal 1% organische stof nodig is om 40 mm vocht te kunnen leveren. In een grond zonder lutum (zoals zandgrond) is hiervoor al gauw een organisch stofgehalte nodig van 2%. Voor zandgronden met een organische stofgehalte van 2 tot 8% geldt globaal dat 1% meer organisch stof 4-6 mm meer vocht geeft. - Vermogen van de grond om nutriënten vast te houden. Organische stof heeft net als kleideeltjes het vermogen om nutriënten (kationen) vast te houden (adsorberen). Naarmate een grond een groter adsorptievermogen heeft, is het in staat om langer nutriënten na te leveren. Het adsorptievermogen van organische stof is pH-afhankelijk. Voor zandgronden lijkt een organisch stofgehalte van 3% minimaal gewenst om bij een gangbare pH-KCL van 5 nog een redelijke adsorptiecapaciteit te hebben. Voor kleigronden ligt het minimaal gewenste organische stofgehalte lager, omdat de kleideeltjes ook voor adsorptiecapaciteit zorgen. - Bodemleven en ziektewerend vermogen. Naast het gehalte aan organische stof, de afbreekbaarheid en de C/N verhouding van het materiaal, spelen ook de aanwezigheid en de activiteit van het bodemleven een rol bij de uiteindelijke nutriënten levering (met name stikstof). De aanwezigheid en activiteit van het bodemleven worden voornamelijk bepaald door de omgevingsfactoren zoals type organisch materiaal, de pH, de bodemtemperatuur en het vochtgehalte. Organische stof kan ook het ziektewerend vermogen van een bodem verhogen door meer biologische activiteit en een grote diversiteit aan bodemorganismen.
- Structuur, verkruimelbaarheid en slempgevoeligheid. Organische stof heeft een positieve invloed op de structuur. Het geeft een betere binding tussen de bodemdeeltjes waardoor de aggregaatstabiliteit wordt vergroot. Daarnaast heeft organische stof een positief effect op de structuur door de volgende processen: • De dichtheid wordt lager doordat de minerale fractie door het organische materiaal wordt verdund. • Organische stof geeft meer kleine poriën. Dit heeft over het algemeen een positief effect op het transport van water en lucht door een betere verhouding tussen het aandeel grote en kleine poriën. • Organische stof heeft een positief effect op het bodemleven waardoor ook het aantal gravende organismen toeneemt. Het graven van “gangen” heeft een positief effect op de structuur. In de literatuur worden gehalten genoemd van 3-3,5% organische stof voor voldoende binding van bodemdeeltjes. Omdat er een sterke correlatie bestaat tussen klei en organisch stofgehalte is het minimum gewenste organische stofgehalte erg afhankelijk van het bodemtype. - Uitspoeling van stikstof. Een toename van het organische stofgehalte kan enerzijds leiden tot meer gevoeligheid voor uitspoeling van stikstof door extra mineralisatie. Dit risico is er vooral wanneer de organische stof aanwezig is in een jonge gemakkelijk afbreekbare vorm met een lage C/N verhouding. Het risico kan dus beperkt worden door organische materiaal aan te voeren dat vrij stabiel is en langzaam afbreekt. Anderzijds leidt een toename van het organische stofgehalte tot een beperking van de gevoeligheid voor stikstofuitspoeling doordat het vochthoudend vermogen van de grond toeneemt. Gezien dit positieve effect van organische stof op de uitspoeling wordt voor zandgronden soms een gehalte van 2,5% genoemd als ondergrens.
Organische stof aanvoer door inzaai groenbemester
Uit het voorgaande blijkt dat het gewenste organische stofgehalte afhankelijk is van uiteenlopende aspecten. Voor de Nederlandse gronden zijn dan ook nog geen streeftrajecten bekend. Naast het organische stofgehalte zijn er diverse andere chemische, fysische en biologische indicatoren die in een laboratorium kunnen worden bepaald en die ook een rol spelen bij bodemkwaliteit. Bodemkwaliteit is echter een complex begrip en niet met één indicator te beoordelen. Daarnaast ontbreekt vaak nog een goede richtwaarde, bijvoorbeeld bij biologische indicatoren. Bodemkwaliteit kan men ook met het blote oog beoordelen. Een profielkuil van een meter diep brengt de verschillende bodemlagen in beeld en kunnen de bewortelingsdiepte en de verticaal kruipende wormen tonen. Minder bewerkelijk is het uitsteken van een 30 x 30 cm² brok grond van 25 cm diep en vervolgens de verkruimelbaarheid beoordelen. Het is bekend dat de teelt van maïs een wissel trekt op de bodemkwaliteit, doordat de aanvoer van organische stof erg laag is vergeleken bij de afbraak. Het opstellen van een organische stofbalans is een goed hulpmiddel bij het op peil houden van het organische stofgehalte. Op de aanvoerzijde van de balans staan de posten organische mest, gewasresten incl. wortels en stoppels en eventueel een groenbemester. Op de afvoerzijde staat de onvermijdelijke jaarlijkse afbraak van organische stof in de bouwvoor.
2.5 Zuurgraad De zuurgraad van de grond wordt uitgedrukt met pH. Hoe lager de pH hoe zuurder de grond, wat duidt op een kalkarme toestand. Een grond is neutraal bij een pH van 7. Zand-, dal- en veengronden hebben van nature een vrij lage pH. De meeste jonge zeekleigronden zijn neutraal en kalkrijk. Bij oudere zeekleigronden kunnen ook lage pH's voorkomen. De pH is van invloed op o.a. de beschikbaarheid van nutriënten voor het gewas en de biologische activiteiten in de bodem. Op kleigrond hangt de optimale pH ook af van de gevolgen voor de bodemstructuur. Bij een te lage pH vallen kleimineralen, en daarmee bodemdeeltjes uit elkaar, waardoor gemakkelijk slemp ontstaat. De optimale pH verschilt per grondsoort en hangt af van het organische stof- en lutumgehalte. We geven per grondsoort de streefwaarden van de pH-KCL weer. Een uitgebreide waardering van de pH-KCL is te vinden in “Adviesbasis bemesting grasland en voedergewassen” www.bemestingsadvies.nl . Wanneer de pH lager is dan de streefwaarde is het nodig deze te verhogen. De berekening van de kalkgift wordt beschreven in hoofdstuk 5. Zand, dalgrond en veen Bij zand, dalgronden en veen is de gewenste pH afhankelijk van het organische stofgehalte. In tabel 3.1 is de gewenste pH-KCL voor deze gronden weergegeven. Tabel 3.1 Streefwaarden pH-KCL van zand, dalgronden en veen Organische stofgehalte van de grond (%) Gewenste pH < 5,0 5,3 - 5,7 5,0 - 7,9 5,1 - 5,5 8,0 - 14,9 5,0 - 5,4 > 15,0 4,8 - 5,2 Rivierklei en overgangsgronden zand/rivierklei Bij rivierklei en overgangsgronden tussen zand en rivierklei is de gewenste pH afhankelijk van het lutumgehalte. In tabel 3.2 is dit weergegeven. Tabel 3.2 Streefwaarden pH-KCL van rivierklei en overgangsgronden tussen zand en rivierklei Lutumgehalte van de grond (%) Gewenste pH < 8 6,0 - 6,3 8 - 12 6,2 - 6,5 > 12 6,4 - 6,7 Löss en overgangsgronden zand/löss Bij löss en overgangsgronden tussen zand en löss is de gewenste pH afhankelijk van het lutumgehalte van de grond. Bij een lutumgehalte kleiner dan 10 ligt de gewenste pH-KCL tussen 6,3 en 7,0. Bij een lutumgehalte van 10 of hoger ligt de gewenste pH-KCL tussen 6,6 en 7,5. Zeeklei en overgangsgronden zand/zeeklei Bij zeeklei en overgangsgronden tussen zand en zeeklei is de gewenste pH afhankelijk van het organische stofgehalte en van het lutumgehalte van de grond. In tabel 3.3 staat de gewenste pH-KCL voor deze gronden. Zie voor een meer gedetailleerde tabel “Adviesbasis bemesting grasland en voedergewassen” www.bemestingsadvies.nl.
Grondbewerking Grondbewerking vergroot de kans op het ontstaan van erosie en slemp, omdat de structuur van de bovengrond wordt gebroken. Een beperkte, niet-kerende grondbewerking in combinatie met de inzaai van een bodembedekker heeft de voorkeur. Hierdoor blijven meer gewasresten bovenin de bodem waardoor risico’s van erosie en slemp verminderen. Wanneer er toch wordt geploegd kan men ter voorkoming van watererosie op hellingen het beste met de hoogtelijnen mee ploegen.
Bodembedekker als erosiebestrijding De risico’s van erosie en slemp kan men verminderen door na de oogst van het gewas voorafgaand aan maïs een bodembedekker in te zaaien. Hiervoor kan men de gangbare groenbemestinggewassen gebruiken. De bodembedekker moet 3 weken voor het zaaien van de maïs worden gedood om te voorkomen dat de grond te veel uitdroogt. Vorstgevoelige gewassen zoals gele mosterd vriezen tijdens de winter vaak al kapot. De teelt van maïs in een bodembedekker zonder verdere grondbewerking gaf een afname van bodemverlies van 80-90%. Dit systeem kost echter wel opbrengst en vraagt een aangepaste teelttechniek (zaaitechniek, onkruidbestrijding en mesttoediening). Door een oppervlakkige grondbewerking (frees) uit te voeren kan opbrengstreductie worden voorkomen. Ook kan men een zaairijenfrees gebruiken waarbij gelijktijdig met het zaaien smalle stroken van circa 10 cm breed worden losgemaakt waarin men het zaad zaait. Naarmate de bewerking intensiever is, neemt de erosiebescherming af. De afname van het bodemverlies bij genoemde bewerkingen bedraagt 70-80% bij een zaairijenfrees en 20-70% bij een oppervlakkige zaaibedbereiding. Mechanische onkruidbestrijding is slechts in zeer beperkte mate mogelijk. Eventueel kan men met een rijenbespuiting de gewasrij onkruidvrij houden en vanaf het 4-5-bladstadium het onkruid tussen de gewasrijen met een rijenfrees bestrijden.
2.8 Het bouwplan Het maximale aandeel snijmaïs dat men op een veehouderijbedrijf kan telen, wordt bepaald door het aandeel percelen met een geschikte grondsoort. De hoeveelheid maïs die uiteindelijk wordt geteeld is afhankelijk van diverse factoren. Daarbij speelt de verkaveling vaak een duidelijke rol. Maïs is een gewas dat men eenmalig per jaar hoeft te oogsten. Daarom is het aantrekkelijk om op percelen op afstand van het bedrijf maïs te telen. Om voldoende beweidingsruimte te houden, teelt men maïs vaak niet op percelen die beweid kunnen worden door het melkvee. Het aandeel maïs in het rantsoen (zie hoofdstuk 12) is ook van invloed op het aandeel maïs in het bouwplan. Daarnaast zijn nog een aantal economische factoren van invloed op het aandeel snijmaïs (zie hoofdstuk 13). Continuteelt Maïs heeft weinig last van bodemgebonden ziekten en plagen en kan daarom relatief goed in continuteelt worden verbouwd. De kans op aantasting door de schimmelziekte wortelverbruining neemt echter toe bij continuteelt (zie hoofdstuk 9). Daarnaast kunnen ook het aantal van de wortelaaltjes Pratylenchus en Tylenchorhynchus toenemen. Schade door aaltjes is echter nog nooit aangetoond. Continuteelt heeft gemiddeld een negatieve invloed op de bodemkwaliteit. Door het relatief late oogsttijdstip is de kans dat er onder natte omstandigheden moet worden geoogst vrij groot. Hierdoor ontstaat structuurbeschadiging. Daarnaast is de bewortelingsdiepte en –intensiteit niet groot en de inbreng van organische stof door het gewas in de bodem beperkt. Om het organische stofgehalte op peil te houden zijn naast organische mest voor de bemesting extra maatregelen nodig, zoals het gebruik van een groenbemester en eventueel aanvoer van organische stof via compost. Het toedienen van voldoende organische stof brengt echter vaak met zich mee dat fosfaat wordt overgedoseerd. Immers, alleen 40 m³ runderdrijfmest is al voldoende om de fosfaatonttrekking door maïs te dekken, maar compenseert meestal niet de afbraak aan organische stof in de bodem. Continuteelt geeft een snellere vermeerdering van onkruiden die minder gevoelig zijn voor gangbare herbiciden en kan leiden tot resistentie van onkruiden tegen herbiciden. Door bovenstaande effecten kan continuteelt leiden tot opbrengstderving van 10 – 20%. Maïs afwisselen met gras is goed voor de bodem Wisselbouw Op melkveehouderijbedrijven komt het afwisselen van maïs met andere gewassen vaak neer op wisselbouw van maïs en gras. Door wisselbouw kan men organische stofgehalte van het bouwlanddeel op peil houden. Wanneer maïs na gras wordt geteeld kan het profiteren van de stikstofnalevering uit de ondergeploegde zode. Daarnaast leidt wisselbouw in vergelijking met continuteelt tot een extra maïsopbrengst van 3-7%. Dit wordt dus veroorzaakt door andere factoren dan organische stofgehalte en de stikstofnalevering en is afhankelijk van de leeftijd van het grasland.
Bron Handboek snijmaïs en kennisakker.nl |

|
E-mail info@maisadvies.nl |

