|
droogteschade |
|
___________________________________________________________ Door de aanhoudende droge weersomstandigheden in de maand juli, zien we in veel maïspercelen duidelijke droogteschade, met name op de lichtere zandgronden of op percelen die tot op heden geen neerslag van betekenis hebben gehad.
Gevolgen voor het maïsgewas: Watergebrek tijdens de bloei kan met aanzienlijke opbrengstdaling en teruggang van de voederwaarde gepaard gaan. Droogtestress vóór de bloei vertraagt het verschijnen van de kolfharen, waardoor de pluim al volop in bloei is voordat de kolfharen volledig zijn ontwikkeld. Door deze onvolledige bevruchting krijgen we een gereduceerd aantal korrels per kolf die wordt gekenmerkt door de lege punt van de kolf. Iedere dag met droogtestress tijdens de bloei zorgt voor een reductie van de korrelopbrengst van ca. 7 %. Bij grote aanhoudende droogte kan een bevruchting zelfs geheel uitblijven, hetgeen tot kolfloze maïs kan leiden.
Oogsttijdstip Slechts in een enkel uitzonderlijk geval kan een vroegtijdige oogst als gevolg van droogte worden geadviseerd: dit zijn gevallen waarbij het gewas zich niet meer kan herstellen door neerslag en waarbij totaal geen bestuiving heeft plaatsgevonden en ook niet meer plaats kan vinden (bijv. door geen kolfhaarontwikkeling). Of er bestuiving heeft plaatsgevonden kan door middel van een snelle methode worden ingeschat: door een ontblote kolf voorzichtig te schudden vallen de kolfharen eraf wanneer er bestuiving heeft plaatsgevonden. In de meeste gevallen, ook indien de maïs gebruikt wordt voor een biogasinstallatie, dient met de oogst gewacht te worden tot er een kolfontwikkeling heeft plaatsgehad. Indien een bestuiving, ook als deze zwak is, heeft plaatsgehad, of nog plaats kan vinden, kunnen zich kolven ontwikkelen met de daarbij behorende zetmeelopbouw en voederwaardeontwikkeling. Het oogstmoment van deze gewassen wordt bepaald door de omvang van de droogteschade: het gewas dient geoogst te worden indien geen kwaliteits- of opbrengstverbetering meer is te verwachten en wanneer 5 of meer bladlagen beginnen af te sterven.
Voederwaarde: Het kolfaandeel heeft grote invloed op de voederwaarde van de maïskuil. Het suiker dat in de groene plant is gevormd kan bij kolfarme maïs slechts ten dele worden omgezet in zetmeel. Resultaten uit 1999 in verdroogde maïs leverde hoge suikergehaltes van 15 tot 23 % in DS en corresponderende lage zetmeelgehaltes van 5 tot 20% in DS. De spreiding van deze bevindingen is afhankelijk van de mate waarin de droogte tot schade heeft geleid. Analyse van maïskuilen met droogteschade tonen de grote invloed van de kolfontwikkeling op de VEM: bij maïs met een slechte kolfontwikkeling werd een daling van 84 VEM/kg ds en meer vastgesteld Daarbij dient men door de stroachtige restplant en het lage zetmeelhehalte van een kolfarm verdroogd gewas rekening te houden met een hoog DS-gehalte, terwijl we bij een kolfarm groen gewas met een hoog suikergehalte we met een zeer laag DS-gehalte moeten rekenen.
Het inkuilen De conservering is zowel van het DS-gehalte als het suikergehalte afhankelijk. Bij vroegtijdige oogst dient men zowel met een laag DS-gehalte (< 25%) als met een hoog suikergehalte rekening te houden. Hier speelt het gevaar van perssapontwikkeling. Lagen van stro of gedroogde bietenpulp en een vergroting van de haksellengte kunnen hier soelaas bieden. Vaak zorgen de hoge suikergehaltes van het product ook voor hoge restsuikers in de kuil met het gevolg een verhoogde gistactiviteit, waardoor broei kan ontstaan (Wyss 2003). Stroachtige restplanten zijn moeilijk aan te rijden en neigen daardoor gemakkelijk naar broei. Zulk uitgangsmateriaal dient kort te worden gehakseld om voldoende verdichting in de kuil te krijgen (> 230kg DS/m3).
Conclusie: Zowel bij stroachtige verdroogde maïs als bij nog groene maïs die door droogte nauwelijks kolf heeft gevormd, bestaat een vergroot risico op broei. Als maatregelen tegen broei en schimmelvorming gelden een goede verdichting, een voldoende voersnelheid van minstens 1,5 meter per week en de toevoeging van broeiremmer 11A44 ter verbetering van de aërobe stabiliteit. In diverse proeven werd de werking van broeiremmer 11A44 aangetoond. Door de vorming van azijnzuur worden gisten en schimmels onderdrukt. Broeiremmer 11A44 is eenvoudig toe te dienen, omdat het niet corrosief is en slechts geringe hoeveelheden nodig zijn.
Meer informatie en voor alle andere vragen mail ons. |

|
E-mail info@maisadvies.nl |

