|
BESCHRIJVING VAN DE TEELT EN OOGST KOOLZAAD
1 Grondsoort In het algemeen moet voor de koolzaadteelt aan de grond de voorwaarde worden gesteld, dat deze weinig onkruidzaden en wortelonkruiden bevat, een goede waterhuishouding heeft en voldoende vruchtbaar is. Koolzaad geeft de hoogste opbrengsten op rijke gronden met een goede structuur. Behalve op klei- en zavelgronden, kan koolzaad ook op andere grondsoorten, zoals lössgrond en goed vochthoudende dal- en zandgronden worden geteeld. Het gewas rijpt op deze gronden vaak vroeger af en levert dan iets fijner zaad op. Op zandgrond is er meer kans op Alternaria-aantasting. Gronden die in de herfst of in de winter last hebben van stagnerend water, zijn niet geschikt voor de teelt van koolzaad. Koolzaad heeft veel voedingsstoffen nodig, vooral stikstof moet in ruime mate aanwezig zijn.
2 Vruchtopvolging Koolzaad stelt door zijn vroege zaaitijd en grote stikstofbehoefte speciale eisen ten aanzien van de voorvrucht. Als vroeg ruimende gewassen zijn erwten en graszaad daarvoor zeer geschikt. Indien men de beschikking heeft over grasland dat vroeg geploegd kan worden, is dat eveneens een prima voorvrucht, evenals luzerne. De luzerne en het grasland laten namelijk krachtig land na, waarvoor koolzaad zeer dankbaar is. Om de goede eigenschappen van grasland en graszaadpercelen volledig te benutten, is het gewenst de vertering van de zode zo vlug en goed mogelijk te laten verlopen. Het is daarom nodig om vóór het frezen ca. 30 kg N te geven, waardoor vertering van de stukgeslagen zode wordt bevorderd. Een stikstofbemesting bij het zaaien is gunstig voor de eerste groei die anders nogal eens traag is na grasland en graszaad. Koolzaad kan men eventueel ook zaaien na vlas, vroeg gerooide aardappe1en en karwij. Voor karwij geldt evenwel het bezwaar dat het door rattekeutelziekte, (Sclerotinia) kan worden aangetast; koolzaad is hiervoor ook gevoelig. Ook de kans op vreterij door slakken is na karwij niet denkbeeldig. Overigens is het niet gebruike1ijk koo1zaad na karwij te telen. Op bedrijven met vrij veel bieten in het bouwplan kan beter geen koolzaad worden verbouwd om uitbreiding van het bietencystenaaltje te voorkomen. Koolzaad is een waardp1ant voor dit aaltje. Het kan de populatiedichtheid van de aaltjes aanzienlijk vergroten, zonder er zelf schade van te ondervinden. Men zal dus na koolzaad enige jaren moeten wachten, voordat er weer bieten gezaaid kunnen worden. Koolzaad is gevoelig voor knolvoet. In Sleeswijk-Holstein wordt daarvan hinder ondervonden, wellicht mede als gevolg van het gebruik van koolzaad als groenbemestinggewas Wintergranen kunnen als voorvrucht worden gebruikt indien de graanoogst vroeg plaatsvindt en op tijd een zaaibed kan worden klaargemaakt. Indien dit door weers- of bedrijfsomstandigheden niet te realiseren is, komt koolzaad niet meer in aanmerking, want een te late zaai (na half september) heeft een sterk nadelige invloed op de zaadopbrengst en verhoogt het risico van uitwintering. Dit nadeel kan voor een deel gecorrigeerd worden door bij het zaaien ca. 30 à 40 kg N te geven. Koolzaad levert als vroeg ruimend gewas rijk land voor het volggewas omdat de in de zomer gemineraliseerde stikstof in de bodem blijft. Koolzaad is een goede voorvrucht voor grasland, winteren zomergranen, in mindere mate voor brouwgerst. Voor bieten en spinazie(zaad) is koolzaad, zoals reeds vermeld, een ongewenste voorvrucht, daar het de populatiedichtheid van het bietencystenaaltje aanzienlijk kan vergroten. Na koolzaad kan nog een groenvoeder- of groenbemestinggewas worden verbouwd. In wintertarwe na koolzaad kan nogal eens slakkenvraat voorkomen. De slakken dienen vrij kort na de zaai van de wintertarwe bestreden te worden, daar anders de kiem van de tarwe wordt weggevreten. De bestrijding kan uitgevoerd worden door slakken korrels te strooien of met de tarwe mee te zaaien. Er wordt onderzoek gedaan naar zaaizaadbehandeling tegen slakken. Koolzaadopslag kan na jaren nog een zeer hinderlijk onkruid zijn. Steeds zal ernaar gestreefd moeten worden deze opslag tot een minimum te beperken door ervoor te zorgen dat de opslag planten geen zaad vormen.
3 Grondbewerking en zaaibed Koolzaad wordt in de tweede helft van augustus tot begin september uitgezaaid. Hiervoor wordt het perceel in de zomer op zaaivoor geploegd, dat wil zeggen op ca. 20-25 cm diepte, wat nodig is om een goede wortelontwikkeling te krijgen. Om een met te fijn doch vooral kruimelig zaaibed te krijgen, wordt daarna een bewerking met een rotorkopeg uitgevoerd. Na vrij laat het veld ruimende granen wordt in Groningen om tijd te winnen in vele gevallen de stoppel in één keer op zaaivoor geploegd en met een rotorkopeg bewerkt. Vervolgens wordt er gezaaid. Koolzaad moet ondiep worden gezaaid, zodat de gehele bovenlaag niet te diep mag worden losgemaakt om diep wegvallen van het zaad te voorkomen. Het zaaibed behoeft niet zo fijn te zijn als voor de overige fijne zaden en op slempgevoelige gronden moet een fijn zaaibed zelfs worden afgeraden. Bij te scheuren grasland en na graszaad zijn goede resultaten te bereiken door de zode eerst ondiep te frezen en daarna te ploegen. Ook kan bij het ploegen gewerkt worden met een voorschaar, die bij een goede afstelling eveneens zeer bruikbaar is. Hierdoor wordt de graszode voldoende diep ondergebracht en heeft men er bij het eggen geen last van. Een stikstofgift van 30 à 40 kg N/ha, gegeven vóór het bewerken van het grasland of de graszaadstoppel, komt de vertering van de zode ten goede. Het koolzaad kan tijdens zijn groeiperiode hiervan profiteren. Als er een kans is op uitdroging van het zaaibed, doet men er goed aan met een cambridgerol voor of na het zaaien te rollen. Op zwaardere kluiterige gronden wordt na het zaaien gerold om slakken schade te beperken. |
|
4 Bemesting Het doel van de bemesting van koolzaad is een aanvulling aan de bodemvoorraad te geven, zodat het gewas steeds over voldoende voedingsstoffen kan beschikken en zo een ongestoorde groei kan geven. Een richtlijn voor de behoefte van het gewas aan bepaalde voedingselementen is de hoeveelheid die bij de oogst door het gewas is opgenomen. Bij een opbrengst van 3000 kg zaad per ha is de opname ongeveer 80 kg P2O5 en 135 kg K2O bij oogsten van het stro. Bij niet oogsten van het stro is de opname resp. 55 en 30 kg/ha. Per 1000 kg meer of minder is de onttrekking 18,3 kg P2O5 en 10 kg K2O. aan stikstof neemt het gewas 250-300 kg N per ha op. De bemesting moet afgestemd zijn op de behoefte van het gewas en de voorraad in de bodem. De voorraad in de bodem kan door grondonderzoek worden bepaald. Met behulp van deze gegevens en de bemestingsadviezen die zijn ontwikkeld voor de verschillende voedingselementen, kan een optimale bemesting worden uitgevoerd. Fosfaat en kali De fosfaat- en kalibehoefte van koolzaad is niet bijzonder groot en komt ongeveer overeen met die van de granen. Dit betekent dat bij een normale fosfaat- en kali-toestand van de grond 30-60 kg P2O5 en 40-80 kg K2O per ha moet worden gegeven. De bemesting kan het best in de herfst worden gegeven. Stikstof Zeer dankbaar is koolzaad echter voor een flinke stikstofbemesting. De vraagpunten bij de stikstofbemesting van koolzaad zijn vooral: - is een herfstbemesting gunstig; - wanneer kan het best een voorjaarsbemesting gegeven worden en is deling of overbemesting gunstig; - is een optimale voorjaarsbemesting te benaderen wanneer rekening gehouden wordt met de minerale stikstofvoorraad in de grond na de winter. Bij voldoende beschikbaarheid neemt een koolzaadgewas bij een normale ontwikkeling tot aan de winter circa 60 kg N op. Zeer vroeg gezaaide en fors ontwikkelde gewassen kunnen wel het dubbele opnemen en laat gezaaide gewassen minder. In het voorjaar kan koolzaad onder gunstige omstandigheden snel en veel stikstof opnemen. Bij het eind van de bloei bevat het gewas circa 250-300 kg N in de bovengrondse delen. De stikstofbehoefte in de herfst is slechts 25-50 kg N, maar na de start van de groei in het voorjaar neemt de plant tot volle bloei circa 200 kg N op, daarna daalt de opname. (EH 189-1977) Een verdeling van de stikstof over een herfst en voorjaar heeft als neven voordeel dat de oogstzekerheid toeneemt. De stikstofbehoefte in de herfst kan in veel gevallen wel uit de 12 bodemvoorraad gedekt worden. Toch is uit proeven te concluderen, dat ondanks een hoge stikstofvoorraad een stikstofgift van 30-60 kg per ha bij de zaai, nuttig kan zijn om het gewas krachtiger de winter in te laten gaan, vooral omdat meestal granen als voorvrucht aanwezig zijn. Deze gift mag echter niet in mindering worden gebracht op de in het voorjaar te geven bemesting. In een uitgebreide reeks proeven in West-Duitslan blijkt dat bij een juiste voorjaarsbemesting, een herfst gift van 40 N de zaadopbrengst gemiddeld met enkele procenten wordt verhoogd. Soms blijft een gewas te licht, bijvoorbeeld door voorvrucht effecten of na een strenge winter. In zo'n geval is een bijbemesting mogelijk. Uit de opbrengstgegevens blijkt dat vooral bij stikstofgebrek een overbemesting van 30 of 60 N per ha de opbrengst gunstig beïnvloedt. Uit ander onderzoek naar het tijdstip van bijbemesten blijkt dat de hoogste zaadopbrengst wordt bereikt met een eenmalige vroege hoge stikstofgift. Alleen bij stikstofgebrek heeft een overbemesting een positief effect op de zaadopbrengst. De gift moet dan bij het begin van de bloei gegeven worden, anders is er kans op een latere en onregelmatiger afrijping. In het voorjaar wordt de stikstof gegeven zodra het gewas weer gaat groeien. Uit onderzoek is gebleken, dat als de hoeveelheid stikstof die het gewas moet hebben, goed kan worden geschat, men het beste alle stikstof vroeg in het voorjaar kan geven. Soms kan men echter niet een goede schatting maken van de optimale stikstofgift, bv. na gescheurd grasland e.d. Het is gebleken dat men dan goede resultaten kan bereiken met een vroege basisbemesting en voor de bloei - beter nog voor het schieten - nog een aanvullende bemesting te geven. Deze laatste kan men op dat tijdstip geheel laten afhangen van de ontwikkeling van het gewas. Van Roon (1959) heeft echter wel duidelijk aangetoond dat deling van de bemesting op zichzelf geen voordeel bracht, evenmin een late extra overbemesting (tabel 3). Een te late overbemesting kan de afrijping vertragen, waardoor de oogsttijd naar een later tijdstip wordt verschoven, wat veelal ongunstig is. Bovendien geven extra zware en laat afrijpende gewassen vaak moeilijkheden bij de oogst. Samenvattend advies stikstofbemesting: advies najaar 45 N voorjaar 200-Nmin 0-100 cm 4.4 Overige mineralen Kalk, mangaan, magnesium en zwavel moeten voor een ongestoorde groei van koolzaad in redelijke hoeveelheden beschikbaar zijn; van de resterende sporenelementen is de behoefte gering, maar essentieel. Zwavel De sterke afname van de uitstoot van zwavel door de industrie heeft de zwavelvoorziening van landbouwgronden verminderd. In Duitsland en Engeland is zwavelgebrek een alom voorkomend verschijnsel en maakt zwavel onderdeel uit van het bemestingsplan. Ook in Nederland komt zwavelgebrek in toenemende mate voor, vooral in koolzaad. Hoe zit het met de zwavelaanvoer? In het verleden kwam door de uitstoot van de industrie per hectare 30 à 40 kg zwavel (notatie: S) op het land terecht. Dit was ruim voldoende om de gewassen van zwavel te voorzien. Zwavel werd dan ook niet opgenomen in het onderzoek naar de minerale behoefte van bouwland en grasland. Zodoende bestaat er geen goede onderzoeksmethode en is er geen bemestingsadvies voor zwavel voorhanden. Door zuivering is de zwaveluitstoot heden ten dage teruggebracht tot minder dan 10 kg S per ha. En 13 dat is te weinig om te voorzien in de zwavelbehoefte van de gewassen. Wintertarwe verlangt ongeveer 20 kg S per ha; aardappelen en suikerbieten ongeveer 30 kg S per ha, maar koolgewassen 60-80 kg S per ha. In de grond is zwavel grotendeels in organische vorm (o.a. humus) vastgelegd. Een deel komt als sulfaat (chemisch: SO4) opgelost in het bodemvocht voor en is voor de plant opneembaar. In deze vorm komt zwavel ook voor in meststoffen als bitterzout en kieseriet. Sulfaat is (net als nitraat) gevoelig voor uitspoeling, vooral op zand- en lichte zavelgronden. Op deze gronden mogen de eerste tekorten aan zwavel worden verwacht. Dit geldt zeker in gebieden met weinig industriële uitstoot. Daar kan zelfs op zware kleigrond de grote zwavelvoorziening van koolgewassen tekort schieten. Wat gebeurt er met zwavel in de plant? In de plant vervult de zwavel een essentiële functie bij de fotosynthese. Zwaveltekorten remmen de groei en verminderen de opbrengst. Net als stikstof wordt ook zwavel grotendeels tijdens de strekkingsfase en de bloei opgenomen. Een tekort aan zwavel zal zich vooral in die periode voordoen en bij de bloei manifesteren. De bladeren verliezen hun donkergroene kleur en het gewas kleurt licht. De symptomen zijn niet of nauwelijks te onderscheiden van stikstofgebrek. Het stellen van de juiste diagnose is dan moeilijk. Een zwavelgebrek wordt vaak aangezien voor stikstofgebrek en wordt dus niet door een aanvullende N-gift bestreden. Hoe voorzien in de zwavelbehoefte? Zoals gezegd bestaat er geen advies voor de zwavelbemesting. Wel wordt momenteel door het Blgg te Oosterbeek een bemestingsadvies voor zwavel op basis van grondonderzoek voorbereid. In principe kan een zwaveltekort gemakkelijk door een bemesting of nog beter door een bespuiting met een sulfaatmeststof worden bestreden. Zo'n behandeling moet wel direct na het onderkennen van het gebrek worden uitgevoerd. Maar een juiste diagnose van het gebreksymptoom (is het zwavel- of is het stikstofgebrek?) bemoeilijkt een tijdige en adequate gewasbehandeling. Bovengenoemde problemen zijn te voorkomen door het gewas tijdig te voorzien van voldoende zwavel. De noodzaak en de hoogte van zo'n bemesting kan nog niet door grondonderzoek worden aangegeven. Wel kan met bodemonderzoek een indicatie over een mogelijk zwavelgebrek worden verkregen. Daartoe laat men tegelijk met de minerale stikstof een zwavelbepaling uitvoeren. Voor de zwaveltoestand zijn nog andere factoren van belang, zoals de gevoeligheid voor uitspoeling en S-depositie in het gebied. Een zwavelbemesting is daarom een preventieve maatregel om een mogelijk tekort aan zwavel te voorkomen. Omstandigheden, waarbij als eerste problemen met de zwavelvoorziening mogen worden verwacht zijn lichte, uitspoelingsgevoelige gronden in regio's met weinig chemische industrie.
5 Onkruidbestrijding Vooral in een jong gewas koolzaad doen onkruiden schade. In het voorjaar worden kleine onkruiden gemakkelijk door het snel groeiende gewas onderdrukt. Bestrijding van de onkruiden moet daarom plaatsvinden in de herfst. Hiervoor zijn verschillende chemische middelen toegelaten die zowel kort na zaaien als na opkomst van het gewas kunnen worden toegepast. Tweezaadlobbige wortelonkruiden kunnen dan ook in koolzaad chemisch niet worden bestreden. Eenjarige grassen en graanopslag kunnen in het algemeen goed worden bestreden. Eénjarige dicotyle onkruiden worden bestreden door een bespuiting vlak na de zaai en/of in het tweeblad stadium.
6 Bestrijding ziekten en plagen Er zijn veel organismen die koolzaad in meer of mindere mate kunnen beschadigen en daardoor de zaadopbrengst in ongunstige zin kunnen beïnvloeden. In het onderstaande wordt een opsomming met een korte beschrijving van de meest voorkomende beschadigers gegeven, terwijl van de belangrijkste tevens de bestrijdingswijze zal worden aangegeven.
6.1 Kiem en bodemschimmels Aantasting door Phoma lingam uit zich in het afsterven van kiemplanten en bij oudere planten in het voorkomen van zwartachtige vlekken op de stengel op de grens van lucht - grond. Bladeren en stenge1s vertonen ook wel vlekken met kleine zwarte stipjes (pyknidiën). Preventieve maatregelen dienen te worden genomen tegen Phoma door ontsmetting van het zaaizaad. Door middel van een ruime vruchtwisseling en opruimen van het aangetaste stro kan deze ziekte worden tegengegaan; dit geldt ook voor Sclerotiënrot of de rattekeutelziekte (Sclerotinia sclerotiorum). Er dient in ieder geval voor te worden gewaakt, dat de planten - bv. door schoffelen niet worden beschadigd, omdat deze ziekten vooral optreden bij beschadigde planten. De nog in onderzoek zijnde rassen lijken bij de beproeving tot nu toe een redelijke resistentie tegen Phoma te bezitten. aamde stengel kanker – worden aangetroffen. 6.2 Insecten De belangrijkste insecten die in koolzaad schade doen zijn: de koolzaadaardvlo, de koolzaadglanskever en de koolzaadsnuitkever. Bij de koolzaadaardvlo en de koolzaadsnuitkever zijn het vooral de larven die schade veroorzaken, maar de bestrijding moet toch gericht zijn op kevers. De koolzaadaardvlo (Psylliodes chrysocephala), 4 mm lang, kan als larve door vraat het koolzaad bij en kort na opkomst en in het vroege voorjaar min of meer ernstig beschadigen. De kever legt haar eieren in de grond in de buurt van koolzaadplanten. De larven boren zich in de bladstelen. In de herfst worden deze bladstelen uitgevreten, waardoor de bladeren geel kleuren, verwelken en afva1len. In het voorjaar kruipen de larven naar de stengels en kunnen dan ook het groeipunt aantasten. In ernstige gevallen kan de plant dan afsterven. Minder zwaar aangetaste planten vertakken zich sterk, waardoor de bloei van het gewas onregelmatig wordt. De bestrijding moet plaats vinden in de herfst. Deze is vooral op de kevers gericht, omdat de larven moeilijk te bereiken zijn. In de meeste gevallen wordt er een zaadbehandeling uitgevoerd. Ongeveer twee weken na opkomst van het koolzaad voert men dan vaak ook nog een bespuiting uit met een insecticide. Bestuiving van het koolzaad Op de vraag of glanskevers een rol van betekenis spelen bij de kruisbestuiving moet een ontkennend antwoord worden gegeven. Er blijkt geen aanleiding te bestaan de bestrijding van glanskevers terwille van de bestuiving na te laten. Over de reële betekenis van bijen voor de bestuiving zijn de meningen verdeeld. Dat een voldoende bestuiving tijdens de bloei van koolzaad van belang is voor de opbrengst spreekt voor zichzelf. In de praktijk vindt bij koolzaad gemiddeld 2/3 kruisbestuiving en 1/3 zelfbestuiving plaats. Er zijn echter aanzienlijke rasverschillen. Bij de koolzaadplant, die wat bouw aangaat ogenschijnlijk op insecten(kruis)bestuiving is ingericht, is de wind voor de bestuiving mogelijk belangrijker dan insecten. Zelfbestuiving komt relatief veel voor. Significante bevruchtingsverschillen tussen bestuiving door stuifmeel uit dezelfde bloem, uit bloemen van dezelfde plant en die van verschillende planten werden niet gevonden. koolaardvlooien (Phyllotreta-soorten), De koolaardvlooien (Phyllotreta-soorten), 3 mm lang, veroorzaken meestal slechts geringe schade aan de bladeren van jonge koolzaadplanten. Geringe schade kan ook worden aangericht door de 2-3 mm lange stengelboorsnuitkever (Ceuthorrynchus quadridens), waarvan de larve de stengels van binnen uitholt en, zelfs bij massaal voorkomen, ook door de galboorsnuitkever (Ceuthorrhynchus pleurostigma), zwart en 3 mm lang, waarvan de larve een gal aan de koolzaadwortel vlak onder grond vormt. Deze insecten kunnen bestreden worden door een zaaizaadbehandeling. Werkingsduur 2 à 3 weken. Eventueel kan ook bij opkomst een insecticide gespoten worden. koolzaadaardvlo (Psylliodes chrysocephala) De koolzaadaardvlo (Psylliodes chrysocephala), 4 mm lang, kan als larve door vraat het koolzaad bij en kort na opkomst en in het vroege voorjaar ernstig beschadigen. De bestrijding moet plaatsvinden in de herfst. Deze is vooral op de kevers gericht, omdat de larven moeilijk te bereiken zijn. De bestrijding wordt ongeveer twee weken na opkomst uitgevoerd met 2 l/ha Condor. Bij het optreden van vraatschade wordt de behandeling herhaald. Bij onvoldoende bestrijding van de volwassen insekten, kunnen later in de herfst en in het vroege voorjaar de larven van de aardvlo ernstige schade aanrichten door vraat in de bladstelen en stengels. De aangevreten planten zijn zeer gevoelig schimmelinfecties en winteren gemakkelijk uit. koolzaadglanskever (Meligethes aeneus) De koolzaadglanskever (Meligethes aeneus), 2 mm lang, eivormig, donker metaalglanzend, doet alleen schade wanneer hij erg vroeg massaal optreedt en de bloemknoppen vernie1t vóórdat zij opengaan. Kleine bloemknoppen worden geheel of gedeeltelijk weggevreten. In de grotere bloemknoppen vreten de kevers zich naar binnen en vernietigen de meeldraden en de stamper. Wanneer de bloemen eenmaal open zijn, doen de kevers geen schade meer. Ze vreten dan alleen maar wat stuifmeel en dat is meer dan voldoende aanwezig. De schade zal dus vooral optreden wanneer de bloei een traag verloop heeft. De mate van schade is echter afhankelijk van het aantal kevers. Een bestrijding zal in het algemeen slechts nodig zijn wanneer het koolzaad nog in het knopstadium is en er ca 5 kevers per plant aanwezig zijn. Ook het weer speelt een rol. Bij warm zonnig weer zijn de kevers actiever en doen meer schade dan bij koud weer. Wanneer bestrijding noodzakelijk is, moet deze bij voorkeur bij zonnig warm weer plaatsvinden. koolzaadsnuitkever (Ceuthorrhynchus assimilis) De koolzaadsnuitkever (Ceuthorrhynchus assimilis), 2-3 mm lang, zwartgrijs snuitkevertje boort met zijn snuit een gaatje in de jonge koolzaadhauwen legt daar een eitje in. Doorgaans komt één larve per hauw voor. Het gaatje groeit spoedig dicht. De larven vreten aan de zaden, boren een gaatje in de hauwwand en verpoppen in de grond. In juli-augustus verschijnen de kevers, die overwinteren onder ruigte (bv. langs wegen). Van eind maart tot mei komen de kevers uit hun winterkwartier te voorschijn en begeven zich naar koolzaadvelden, vooral bij warm weer (temperatuur boven 16° C) en zeer weinig wind. Samen met de koolzaadsnuitkever kunnen de kleine witte maden van de koolzaadgalmug (Dasyneura brassicae) schade in de hauwen veroorzaken. Dit mugje heeft niet het vermogen om zelf de hauw te doorboren en haar eieren aan de binnenkant af te zetten. Daarom worden vooral de beschadigde hauwen aangetast. Vaak worden de eieren gelegd door het gaatje dat gemaakt is door de koolzaadsnuitkever. Door de koolzaadsnuitkever te bestrijden wordt meestal ook een groot deel van de schade door de koolzaadgalmug voorkomen. De koolzaadsnuitkevers moeten worden bestreden vóór ze eieren hebben kunnen leggen, dus tijdens de bloei van het gewas. Het verdient dus sterk de voorkeur een middel te gebruiken dat ongevaarlijk is voor bijen. Bestrijding van de koolzaad snuitkever is gewenst wanneer er meer dan 1 à 2 kevers per plant aanwezig zijn. De weersomstandigheden hebben echter vee1 invloed op de mate van aantasting. Bij koud weer zijn de kevers niet actief. De kever voelt zich het best bij temperaturen van 15° C en hoger. Bestrijding dus uitvoeren bij zonnig warm weer! De koolzaadglanskever moet dus bestreden worden vóór de bloei en de koolzaadsnuitkever tijdens de bloei! Wanneer de insectenbestrijding vóór de bloei moet worden uitgevoerd, richt een sproeimachine vrijwel geen schade aan het gewas aan. Tijdens de bloei kan een bespuiting vanuit een vliegtuig de voorkeur hebben. 6.3 Schimmels Phoma (Phoma lingam) Phoma is ook wel bekend als vallers. Een kiemplant die aangetast is valt om en sterft af. Later vormt zich op de bladeren een geelachtige tot beige grijze, onregelmatig gevormde cirkelvormige vlekken Cylindrosporium (Cylindrosporium concentricum) Cylindrosporium, geeft cirkelvormige (ca 0,5 – 1 cm grote) bladvlekken met wit puntige vlekken aan de boven en onderkant van het blad. Valse meeldauw (Peronospora parasitica) Valse meeldauw komt bij jonge koolzaadplanten vrij algemeen voor, doch is meestal van weinig betekenis. Op de bovenzijde van de bladeren ontstaan bleke, later geelwitte vlekken: aan de onderzijde ie op deze vlekken een grauw wit schimmelpluis, bestaande uit sporendragers en sporen, zichtbaar. Spikkelziekte of verslag (Alternaria brassicae en Alternaria brassicicola). Op de bladeren ontstaan eerst bruine, ronde vlekken met een enigszins gele tot rode ring. Op hauwen, bloemstelen en stengels komen later kleine zwartbruine, eerst ronde, later meer onregelmatige tot streepvormige vlekken voor. De aantasting is afhankelijk van de weersomstandigheden: warm zonnig weer en afwisselend regen bevorderen deze ziekte. Het gewas reageert zeer snel op gewijzigde weersomstandigheden. De aantasting treedt meestal eind juni – begin juli op. Indien de ziekte vroeg optreedt verschrompelen de zaden in de hauwen en het gewas wordt noodrijp. Sclerotina sclerotiorum (rattenkeutelziekte) Bij een aantasting door de rattenkeutelziekte komen verspreid over het perceel gele planten voor. In de stengel bevind zich grijs schimmelweefsel en er komen zwarte vruchtlichamen (de zgn. rattenkeutels) in voor. Aan de buitenkant zijn de stengels dan ter plaatse wit. De kans op aantasting is vooral aanwezig bij beschadigde planten en onder vochtige weersomstandigheden. Omdat de ziekte enigszins is gebonden aan het bouwplan (zowel gewassen als intensiteit), zal de aantasting vaak op dezelfde bedrijven terugkeren. een aanwijzing dat de ziekte aanwezig is, is het vinden van paddestoeltjes. Op percelen waar de ziekte te verwachten is, is een bespuiting uit te voeren op het moment dat de eerste bloemen zichtbaar worden. Spikkelziekte of verslag (Alternaria brassicae en Alternaria brassicola) Op de bladeren ontstaan eerst bruine, ronde vlekken met een enigszins gel tot rode ring. Op de hauwen, bloemstelen en stengels komen kleine zwartbruine, eerst ronde later meer onregelmatige tot streepvormige vlekken voor. De aantasting is afhankelijk van de weersomstandigheden: warm zonnig weer en afwisselen regen bevorderen deze ziekte. Het gewas reageert snel op de gewijzigde weersomstandigheden. De aantasting treedt meestal eind juni – begin juli op. Indien de ziekte vroeg optreedt verschrompelen de zaden in de hauwen en het gewas wordt noodrijp. Een bestrijding kan uitgevoerd worden tegen het einde van de bloei. 6.4 Slakken Om slakken schade tegen te gaan kan een kluiterig zaaibed gerold worden Bestrijding van slakken is nodig zodra schade wordt waargenomen, door slakkenkorrels te strooien. 6.5 Aaltjes Behalve bieten worden ook kruisbloemige gewassen aangetast door het bietencystenaaltje (Heterodera schachtii). Bij koolzaad vindt men reeds aantasting en vorming van cysten in het najaar. Behoudens enkele gevallen ontstaat geen opvallende schade aan het koolzaad; wel is er een belangrijke vermeerdering van het aantal aaltjes en dit is van belang met het oog op de bietenteelt in latere jaren. 7 Oogst en bewaring In de praktijk wordt winterkoolzaad voor het grootste gedeelte van stam gedorst. De oogsttijd, de oogstmethode en de droging en bewaring van het zaad hebben grote invloed op opbrengst en kwaliteit van koolzaad. 7.1 Oogsttijdstip De bepaling van het juiste oogsttijdstip van koolzaad is niet eenvoudig in verband met het niet gelijktijdig rijpen van het zaad. De bloemen bloeien aan de tros van beneden naar boven en daardoor rijpen ook de hauwen van beneden naar boven. Daar de hauwen bij volledige rijpheid van nature openspringen, is de kans op zaadverlies bij maaien van het volledig rijpe gewas zo groot dat men genoodzaakt is iets vóór het volledig afrijpen der hauwen of zaden te maaidorsen. Zweeds onderzoek heeft aangetoond dat de drogestof in de zaden toeneemt, totdat de zaden volledig rijp zijn. In Nederland vindt de oogst van koolzaad doorgaans plaats in de 2e helft van juli. Per ras treden wel kleine oogsttijdverschillen op. Het oliegehalte bleek eveneens met het rijpen van de zaden toe te nemen, echter niet tot de volledige rijpheid. In dat laatste stadium vertoonde het oliegehalte een lichte daling. De totale olieopbrengst liet in dat stadium nog geen daling zien als gevolg van een nog steeds toenemend drogestofgehalte. Voor een normaal gewas is als maatstaf voor oogstrijpheid een maximaal vochtgeha1te van de zaden van 20%. Hierbij is dan niet meegerekend het vocht afkomstig van regen, dauw of vochtige lucht. Bij een onregelmatig gewas en bij verlate afrijping zou het chlorophylgehalte van de zaden (max. 25 p.p.m.) een betere maatstaf zijn, daar hieraan te zien is of de olie geschikt is voor consumptie. Chlorophyl - afkomstig uit de kiem van het zaad - geeft de koolzaadolie namelijk een groene kleur, die bij verwerking voor consumptieve doeleinden hoogst ongewenst is. Bij normale gewassen is maaidorsen mogelijk bij 12-20% vocht van het zaad. Het chlorophylgehalte is dan al enige tijd laag genoeg. Te vroeg maaidorsen geeft een lagere opbrengst en kan op diverse wijzen resulteren in schade aan kwaliteit van het zaad en in extra kosten: 1. beschadiging van het zaad, 2. te hoog chlorophylgeha1te, 3. te hoog gehalte aan ongewenste vrije vetzuren, mits het zaad niet direct na het dorsen gedroogd wordt en 4. hoge kosten voor drogen van het zaad. Bij te vroeg maaien, gevo1gd door narijpen in het zwad komen hier nog verademingsverliezen bij, waardoor de zaden kleiner worden en een lager oliegehalte krijgen dan bij afrijping op stam. Bij dorsen van een te droog gewas, korrels 6-12% vocht, is er - hoewel dit niet vaak zal voorkomen - kans op zaadbeschadiging in de vorm van gebroken korrels. In Nederland wordt aangenomen dat het o1iegehalte van het zaad "evenredig is" met het aantal donkerverkleurde zaden in de hauwen. Daarom zal men, ter wille van de olieopbrengst en ter besparing van droogkosten, zo laat mogelijk maaien of maaidorsen. Opbrengst en oliegehalte zijn het hoogst als bijna alle hauwen geel en vrijwel alle zaden donkergekleurd zijn. De kans op zaadverlies door de maai- of maaidorsbewerking, waarbij door draaiende verdelers op de apparatuur het in elkaar hakende gewas moet worden gescheiden, is in dat stadium echter zeer groot. 19 7.2 Oogstmethoden Zwadmaaien De meest gebruikelijke oogstmethode is het zwadmaaien, 7 à 14 dagen later gevolgd door opraapdorsen. Het in het zwad maaien gebeurt op het moment dat de midde1ste hauwen geel tot grijsbeige van kleur zijn, de zaden zijn dan niet meer groen, maar rood tot bruin. Dit werk gebeurt meestal met een zelfrijdende zwad maaier. Deze levert uitstekend werk. Gemiddeld ligt de capaciteit op 1 ha of meer per uur. Er wordt gemaaid op een lange stoppel van ca. 20-25 cm om het zwad vrij van de grond te laten liggen. Hierdoor wordt het gelijkmatig drogen en afrijpen sterk bevorderd en op deze manier wordt ook voorkomen, dat er hauwen op de grond liggen, die bij de oogst verloren kunnen gaan. Na ca. 10 dagen wordt het zwad gedorst. Hiervoor wordt een maaidorser gebruikt, die voorzien is van een opraapinrichting om zaadverlies tijdens het oprapen zoveel mogelijk te voorkomen. Het opraapdorsen kan ook geschieden door met het mes onder het zwad door te gaan. Maaidorsen De methode van het rechtstreeks van stam maaidorsen vindt meer ingang. Het maaidorsen dat ca. 2 weken later plaatsvindt dan het zwadmaaien, heeft het voordeel dat het zaad beter uitgerijpt en kwalitatief beter is. Het nadeel kan zaaduitval zijn. Deze methode van "van stam" maaidorsen kan alleen toegepast worden bij een voldoend zwaar gewas. Anders is de kans op zaadverlies te groot. De maaidorser moet in elk geval aan de rechter voorzijde zijn voorzien van een verticale maaibalk van ca. 1,25 m lang. Hiermee wordt gemakkelijk een goede scheiding tot stand gebracht tussen de strook die wordt gemaaidorst en de rest. Alleen op deze wijze ontstaan geen ontoelaatbare verliezen. Afstelling van de maaidorser Bij het afstellen van de maaidorser wordt - afhankelijk van de diameter van de dorstrommel - met een toerental van de dorstrommel van 500-650 omwentelingen per minuut (resp. voor een grote en een kleine 0) begonnen. Bij een zwaar gewas dat zich moeilijk laat dorsen, kan het toerental opgevoerd worden tot resp. 700 en 10 omw. per min. De ruimte tussen dorstrommel en mantel moet niet te nauw worden genomen, omdat de hauwen dan vermalen worden. Nat zaad dient snel gedroogd en indien nodig geschoond te worden, omdat anders betrekkelijk snel broei optreedt, waardoor de kwaliteit sterk terugloopt. Zaadverlies Aanzienlijk risico voor zaadverlies ontstaat door keveraantasting of besmetting door Alternaria. Bij de methode zwadmaaien-opraapdorsen kunnen er verliezen optreden bij het maaien. Deze zijn meestal zeer gering. Indien het zwad te lang op het veld blijft liggen kan er ook wat verlies optreden door het openspringen van de hauwen aan de bovenzijde van het zwad. Ernstig zaadverlies treedt op wanneer tijdens het in het zwad liggen een langere periode van slecht weer optreedt. Onweersbuien kunnen veel schade aanrichten. Eveneens een bron van zaadverlies kan zijn het te snel of te langzaam lopen van de opraper bij het opraapdorsen. Bij maaidorsen kunnen er verliezen optreden, als het gewas te lang op het veld moet staan omdat er op het juiste moment van rijpheid door omstandigheden niet geoogst kan worden. Tijdens het maaidorsen treden verliezen op a1s het lange koolzaadgewas moeilijk door de vijzel wordt gepakt. De haspel behoort het gewas neer te drukken, omdat het anders rechtop voor de vijzel staat. De haspel latten moeten even snel achterwaarts bewegen als de machine vooruit rijdt en de tanden moeten verticaal staan. De haspel raakt het gewas dan net na het afmaaien. Door hoog stoppelen en door het toerental van de haspel juist af te stellen, kan het zaadverlies beperkt worden. Legering kan veel doorwas tot gevo1g hebben. De groene de1en van deze doorwas kunnen de zeven verstoppen, waardoor het zaad niet goed wordt uitgedorst en er verliezen optreden. Verstoppingen van de zeven kunnen ook voorkomen als er laag gesneden wordt, zodat groene stengeldelen in de zeven komen. Door beide oorzaken wordt het vochtgehalte van het zaad sterk verhoogd, hetgeen ongewenst is.
Voor meer informatie en alle vragen kunt u mailen |

|
E-mail info@maisadvies.nl |


